Geschiedenis

Het sprookje van Grimm

  • Leestijd 10 minuten
  • 190 x bekeken

Het Sprookje van Grimm
“Er was eens bijna 400 jaar geleden, in het jaar 1629 in die zogenoemde ‘Gouden Eeuw, een onverschrokken Schotse vrijheidsstrijder, genaamd Alastair Donald Grimm, afkomstig uit Beauly aan de Schotse oostkust. Hij had wel wat weg van de latere Schotse Robin Hood, de roodharige vrijheidsstrijder Rob Roy Mac Gregor. Alastair’s grote voorbeeld was echter de bekende 13e eeuwse Schotse vrijheidsstrijder William Wallace.

De eveneens roodharige Alastair was samen met zijn nogal luidruchtige en in de strijd geharde Keltische eenheid van 300 man onder leiding van kapitein Lawrence Sinclair, vanuit Zwolle met boten de rivier de IJssel overgestoken en in Hattem neergestreken om de stad te helpen verdedigen tegen de gehate Spanjolen, die weer eens voor de poorten lagen. Alastair en zijn vrienden werden gelegerd in de grote kerk, midden in de stad.

Spaanse belegeraars
Al eerder in 1580, 1587 en 1588 hadden Spaanse belegeraars geprobeerd de stad in te nemen met de bedoeling ‘ketters’ en opstandelingen op gruwelijke wijze om te brengen, maar steeds stuitten ze op de onverzettelijkheid van dat volk van Hattem die hun stad te vuur en te zwaard verdedigden. Veel jonge Spanjaarden en Bourgondiërs waren tijdens stormaanvallen door pijlen en musketvuur, of door een regen van zware stenen en gloeiende pek en lood gesneuveld aan de voet van de stadswallen, of jammerlijk verdronken in het veenmoeras aan de oostzijde van de stad.

Zelfs waren ze vanaf een verdedigingstoren brutaal uitgedaagd door een kleine vierkante kerel die een heel varken boven zijn hoofd had gehouden en geschreeuwd had dat er nog meer dan genoeg te vreten was en dat als ze ook een stukje lusten, maar moesten zien binnen te komen. Hij had ze uitgemaakt voor varkens die het land kaalvraten, maar hier in Hattem vrat men ze op. Dat leverde zichtbaar woede en frustratie bij de Spanjolen op, die nog nauwelijks goed vlees en wijn op voorraad hadden. Ook de windmolen van de stad draaide vrolijk ‘voor de Prins’, zodat de belegeraars dachten dat er nog genoeg te malen was voor brood en koek.

Binnendringen in zo’n trotse en eigenzinnige stad zou wat Alastair betreft, zeker niet gebeuren. Hij had gruwelijk de pest aan dat Spaanse niets ontziende tuig en trouwens, een lekker stuk varkensvlees lustte hij en zijn makkers ook wel. Voor hun favoriete eten haggis, neeps en tatties konden ze een oorlog beginnen. Daarbij leken Hattemers wat degelijkheid, zuinigheid en vreemde eetgewoonten betreft wel wat op Schotten. Hij mocht ze wel en hij bekommerde zich er niet om of dat andersom ook zo was. Ja, ze kregen nogal eens te horen dat ze luidruchtig waren en vaak behoor-lijk beschonken. De Hattemers hadden raar opgekeken van mannen met rokken aan en blote benen met rare hoge kousen en franjes eraan. Daarbij speelden sommige van hen op kleine tinnen fluitjes waaruit enge hoge geluidjes kwamen, of op onder de arm vastgehouden zakken met pijpen eraan die een soort van nasale geluiden produceerden. Als je er lang naar luisterde werd je er wat draaierig van. Ze zaten wel eens achter een ‘bon-nie’ (mooie)Hattemse deerne aan of maakten een lekker kippetje buit, of een vette gans, of een lam of..….Nou ja, het waren geen lieverdjes en soms zelfs een beetje gek en onstuimig, maar vechten konden ze als de besten, al was het vaak met elkaar. Wat dat betreft leken ze wel wat op Galliërs of Hattemers, waarbij ook de Hattemse vrouwen hun mannetje stonden.

De Prins van Oranje had Koning Karel I van Schotland gevraagd te helpen de troepen van de gehate ijzeren hertog van Alva te verjagen en de Spaanse heerschappij in onze streken van die doorgedraaide Paapse koning van Hispanje omver te werpen. Voor een goede knokpartij, en a bottle of whisky kon je die Schotse hooligans altijd wakker maken.

De Spaanse Graven
Vol goede moed, en geholpen door de geliefde eigen en in ruime hoeveelheden meegebrachte whisky misschien ook wel wat overmoed, waagde Alastair zich buiten de zwaar gehavende Darrepoort om de Spaanse troepen te bespioneren. Op handen en voeten kroop hij tot vlak bij hun uit aarden wallen opgetrokken kampement op ongeveer anderhalve mijl van de stad, nabij een beek in een open landschap van heide en laag struikgewas aan de zuidzijde van de stad. Vanuit die plek had men een mooi zicht op de stad Hattem. Heden ten dage is in het Voermanmuseum nog een schilderij van Peeter Snayers te zien met dat uitzicht op Hattem. Nu heet dat gebied nog ‘de Spaanse graven’ en is het inmiddels midden in een bos gelegen.

Toen nog niet dus. Hij schatte het aantal belegeraars op 3500 en hij telde 18 kanonnen en 55 paarden. Net wilde hij terug kruipen toen opvliegende kraaien zijn positie verraadde. Hij werd snel overmeesterd door gealarmeerde wachtposten rond het kamp en werd ruw meegesleept en voor de aanvoerder van de Spanjolen op de grond gesmeten. Deze fraai opgedirkte figuur noemde zichzelf graaf Don Alonso de Salazar en hij wilde alles weten over de verdediging van de stad. Hoeveel tegenstand kon hij verwachten en hoeveel stukken geschut waren er opgesteld? Hoeveel geoefende boogschutters waren er en waar stond de kruittoren en nog veel meer? De man kon warempel enkele Engelse woorden en Alastair verstond inmiddels wat Spaanse termen. Hij begreep dat hij blij mocht zijn, dat hij het aanstaande bloedbad in de stad niet mee hoefde te maken en dat hij dus ‘geluk had’ gevangen genomen te zijn’. Als hij niet zou praten, zou hij ter plekke een kopje kleiner gemaakt worden, dat was hem ook duidelijk.

Alastair deed alsof hij doodsbang was en hij besloot hem alles en zelfs meer dan de waarheid te vertellen. Hij begon breed uit te meten over de moed en de gehardheid van de Hattemse bevolking van wel 1000 strijdbare met musketten, werpbijlen, spiesen en strijdhamers uitgeruste mannen en zeker 200 fanatieke vrouwen die bijzonder geoefend waren in het gebruik van de voetbogen en ook de woeste strijdlust van zijn Schotse met longbows en radslotpistolen uitgeruste highlanders eenheid die met 1600 man in de stad gelegerd waren, waaronder zeker 250 scherpschutters van het Royal Scots Dragoon Guards Regiment uit Edinburgh en Inverness. Hij bemerkte dat De Salazar zichtbaar onder de indruk raakte, dus hij ging enthousiast verder. Er waren ook nog 400 kruisboogschutters en hellebaardiers van gildes uit Zwolle, Kampen, Hasselt, Harderwijk en Elburg gekomen, die elke meter van de stadsmuren en torens dubbel bezetten. Zeker 50 stuks verdragend geschut waren binnen gebracht door geoefende kanonniers uit de stad Amsterdam en vanaf de kademuren van het kasteel en achter de grote bastions bij de poorten konden wel 10 Trebuchet slingerarmwapens hun vernietigende lading zeker 500 meter ver gooien. Er was kruit, gloeiende pek en lood in overvloed, net als zware stenen en kokers vol geweerhaakte pijlen zo ging Alastair vrolijk verder en zei dat hij juist ‘pech had’ er niet bij te kunnen zijn, als de Spanjolen zich stuk liepen op die onneembare, zwaar beveiligde vesting met torenmuren van wel zeven meter dik. Van alle steden op de Veluwe hadden ze beslist de verkeerde uitgekozen. Een stad met een torenhoog vertrouwen, waar angst mijlenver te zoeken was. Een stad die zich nooit gewonnen zou geven.

Spaans benauwd
Er ontstond paniek onder de Spaanse soldaten en de officieren overlegden koortsachtig met hun commandant, die zich nog goed wist te herinneren, dat ze een jaar eerder al hun hele zilvervloot aan die Hollandse kaapvaarders hadden moeten prijsgeven, waardoor de manschappen nauwelijks nog soldij kregen en er voortdurend muiterij en desertie onder de troepen dreigde. Wat zeker niet meehielp was het bericht dat hij twee dagen eerder had gekregen, dat de stad Den Bosch na een lange belegering in handen van de Prins van Oranje, Frederik Hendrik, bijgenaamd ‘de Stedendwinger’ was gevallen.

Wat kregen ze het benauwd, zo analyseerde Alastair hun zenuwachtige gedrag, je zou bijna zeggen: ‘Spaans benauwd’. Zijn gebluf was niet zonder succes en hij besloot er nog een niet te zuinig Schots schepje bovenop te doen. ‘Edele graaf’, zei hij vlijend en onderdanig naar beneden kijkend, ‘ik heb zelfs gehoord dat een gevreesde cavalerie-eenheid van de Staatse troepen van 800 lansiers onder aanvoering van de meedogenloze strateeg, Maarschalk Ernst Casimir van Nassau-Dietz vanuit de stad Harderwijk naar hier onderweg is, om uw troepen in de rug aan te vallen en niemand te sparen. Uw soldaten zullen hier tussen de wallen een gruwelijk lot ondergaan, terwijl vanuit de stad zware beschietingen zullen volgen. Maar ach, wee mij, ik heb al teveel gezegd, spaar mij niet, nu ik zo schaamteloos mijn broeders in Hattem verraden heb. Ik ben niet waardig hen meer onder ogen te komen’.

Toen hij langzaam opkeek zag hij dat er volledige paniek in het kamp was uitgebroken en dat iedereen spullen bij elkaar graaide en aanstalten maakte er vandoor te gaan. In de algehele verwarring zag Alastair kans om de beek over te glippen en achteruit kruipend via het lage struikgewas uit het zicht van de Spanjolen te verdwijnen. Teruggekomen binnen de veilige muren van de stad zag hij dat de Spanjolen zich hals over kop terugtrokken in de richting van Apeldoorn. Toen de magistraat van Hattem hem vroeg hoe hij dit voor elkaar had gekregen zei hij: ‘met Schotse humor, bluf en whisky’. Opgelucht kon Hattem ademhalen en men bedankte Alastair voor zijn heldendaad en zijn rijke fantasie. Gelukkig kon hij het navertellen, anders had dit verhaal niet bestaan. Het werd nog laat die avond en de geur van haggis walmde door de stad, terwijl de whisky rijkelijk vloeide en hun liederen galmden door de kerk en de straten van de stad. Het voortdurende geluid uit die blaaszakken deed menig Hattemer dieper onder de dekens van hun bedstee wegkruipen. In restaurant ’t Spookhuis, het oude Voorhof van het verdwenen kasteel ‘Dikke Tinne’, kunt u nog nagenieten van een gerecht met de toepasselijke naam: ‘de dronken Schot’, als een smakelijk eerbetoon aan braveheart Alastair Donald Grimm, en zijn geruite strijdmakkers.

Vreemd volk
En zo heeft Hattem al vaker vreemd volk binnen haar poorten gehad. Behalve onze nogal ruige Schotse vrienden waren dat door verraad in 1580 ook (slechts éénmaal en heel kort) Spanjolen, verder Fransozen met adelaars in hun vaandel, waardoor de Allerhoek veranderde in de Adelaarshoek, zeker drie Canadezen bij de bevrijding in 1945, de wilde Kozakken in 1813, Duitsers, Kroaten, Pruisen, Geuzen en Patriotten. Maar ook de allereerste Oranjeprins genaamd René van Châlons, erflater van de Vader des Vaderlands Willem van Oranje en ook de Franse koning Lodewijk Napoleon, die wel eens wilde zien uit welke stad zijn succesvolle gouverneur van Indië, Maarschalk Herman Willem Daendels kwam en tegelijkertijd zich liet informeren over de Latijnse en Franse School, het latere instituut Van Wijk, of zoals oudere Hattemers zeggen, het ‘CDK gebouw’. Dan niet te vergeten de Zuid Afrikaanse staatsman Paul Kruger, die niet kwam voor het stadsbestuur, maar ontvangen werd op theevisite bij onbezoldigd stadsarchivaris Hoefer en zijn echtgenote, baronnesse Van Heemstra, daar in het Hoge Huis, of zoals oudere Hattemers zeggen, het ‘Groene Kruisgebouw’.

Tenslotte ook onze eigen koningin Wilhelmina, die enige malen in haar rijtuigje vanuit Apeldoorn deze zieke gouvernante, die zij barones ‘bruinoogje’ noemde, bezocht aan de Korte Kerkstraat, of zoals oudere Hattemers zeggen, de ‘Zaksteeg’ en natuurlijk in het jaar 1999 de enige echte, zeer eerwaarde en ook nog heilige eminentie, Sint Nicolaas, of zoals alle Hattemers zeggen ‘Sinterklaas’, bisschop uit Myra in Turkije. Daarover bestaan vele verhalen. Dat is een verhaal apart. Einde van dit verhaal.”

Geschreven door Gerard

Stads- en natuurgids